
C.M.C. - DE PLANEET SPIJKENISSE
Een aantal landbouwers en het bestuur van de te Rotterdam gevestigde Vereeniging Melkveiling De Zuid‑Hollandsche Eilanden en Omstreken hebben de N.V. Zuivelfabriek De Planeet te Spijkenisse opgericht.
Het doel van de vennootschap was het kopen, verkopen en verwerken van melk en de handel in gefabriceerde melkproducten, een en ander in de meest uitgebreide zin des woord.
De zuivelfabriek De Planeet aan de Achterweg 252 te Spijkenisse, sinds 1932 gevestigd in een oude boerderij, verlangde al lange tijd naar een nieuw onderkomen. De oude boerderij had in haar bestaan al veel meegemaakt. Zij herbergde een bedrijf waar 54 personeelsleden werkzaam waren, wat ongeveer het maximum was binnen de beschikbare ruimte. Toch gloorde er hoop voor de toekomst: men verwachtte dat men na enkele jaren een gloednieuw pand zou kunnen betrekken in de “Oostbroek”-polder, op een nieuw opgespoten terrein nabij de Spijkenisse brug.
De heer De Jong, sinds 1947 directeur van de melkfabriek, wist niet veel uit het verleden te vertellen, in tegenstelling tot laborant de heer Postma.
In 1935 was in een gedeelte van de boerderij het eerste begin van een melkfabriek ontstaan. Er werd direct een melkveiling ingericht, met als doel het deel van de aangevoerde melk dat men niet kon afzetten te verwerken tot kaas en boter. In 1940 gaf men aan het fabrieksgedeelte een aparte naam: De Planeet.
Na de Tweede Wereldoorlog had men geen eigen kapitaal meer om uit te breiden. In 1947 kwam De Planeet daarom in handen van de C.M.C. (Coöperatieve Melk Centrale). De Planeet bleef als BV onder eigen naam opereren, omdat de C.M.C. geen aandelen had overgenomen. Na de overname begon men al snel met het inrichten van een eigen kaasmakerij, die in april 1948 in gebruik werd genomen.
De C.M.C. had het voordeel dat zij gebruik kon maken van de bestaande structuur van de melkveilingen. Deze verkooppunten waren in de jaren dertig opgezet door melkveehouders om iets te doen aan de kunstmatig laag gehouden melkprijzen. Hoewel de veilingen nooit een groot succes werden, was het idee goed: door gezamenlijke verkoop zouden de fabrieken wel over de brug moeten komen. Het ontbrak echter aan financiële middelen en alternatieven voor melkverwerking. Uiteindelijk kwam men toch weer bij de fabrieken terecht.
Het enige verwerkingsbedrijf dat onder de vlag van de veilingen viel, was De Planeet te Spijkenisse, geëxploiteerd door de melkveiling De Zuidhollandse Eilanden e.o. te Rotterdam. Het belang van de veilingen lag vooral in het feit dat er, lang vóór de oprichting van de C.M.C., al een vorm van samenwerking tussen boeren in het stedelijk gebied was ontstaan. De contacten en structuren die toen groeiden, hebben de C.M.C. zeker geholpen in de eerste jaren van haar bestaan. Ook de min of meer vijandige houding tegenover handelaren en fabrieken (later georganiseerd in de AVM) vindt hier haar oorsprong.
De C.M.C. had in die tijd al een sterke positie in Zuid‑Holland, ten zuiden van het Noordzeekanaal, en in het westelijk deel van Utrecht. De C.M.C. bezat vier fabrieken, waaronder die in Spijkenisse, maar had in vrijwel alle zuivelfabrieken in het gebied belangen. De opzet van de C.M.C. was het oprichten van een coöperatieve verkoopvereniging, maar al snel zag men zich genoodzaakt zelf melk te gaan verwerken. De C.M.C. koos voor samenwerking met particuliere bedrijven, waarbij deze niet werden overgenomen maar een deel van hun rauwe melk moesten afstaan, met de garantie dat er voortdurend melk zou worden aangeleverd. De Planeet in Spijkenisse werd gezien als een bufferbedrijf waar het teveel aan rauwe melk werd ontvangen en verwerkt. De aanvoer verschilde per dag, wat ook leidde tot sterk wisselende werkopdrachten.
In de voorzomer was de aanvoer gemiddeld 55.000 liter per dag; op jaarbasis werd 14 miljoen liter aangetekend. In de winter lag de aanvoer aanzienlijk lager. Dit had gevolgen voor de werkgelegenheid: in de zomer werkte men 9 uur per dag, in de winter 7 uur. Omdat de grote steden vrijwel de gehele melkaanvoer opnamen voor consumptiemelk, kon er in Spijkenisse geen kaas worden bereid. In de drukste periodes werd 20% van de melk verwerkt tot consumptiemelk, 10% tot boter en 70% tot kaas. De geproduceerde kaassoorten waren o.a. volvette Goudse, lunchkaas, Edammer 40+, Leidse 20+, Komijn en speciaal voor hartpatiënten een dieetkaas.
Voorne‑Putten was destijds goed voor een boterafname van 30%, wat 80% van de eilandbehoefte dekte. De overige 20% ging naar de coöperatieve exportvereniging N.C.Z., die boter wereldwijd exporteerde.
Nederland kende twee organisaties die tbc‑vrije melk exporteerden naar Duitsland: Domo‑Sterovita (55.000 liter per dag) en Intermelk, waarbij de C.M.C. was aangesloten (15.000 liter per dag). De melk was bestemd voor de daar gelegerde bezettingstroepen. Nederland en Denemarken leverden samen de helft van de Duitse import; de leveranties werden halfjaarlijks vastgesteld.
De jaarlijkse kaasproductie van De Planeet bedroeg 1 miljoen kilo. Hiervan werd 10% direct aan detaillisten verkocht; de overige 90% ging naar de groothandel. Aan consumenten werd, voor zover bekend, niets verkocht.
De Planeet had ook een eigen personeelsvereniging die één à twee keer per jaar een feestavond organiseerde. Het bedrijf had een groot tekort aan goed geschoold personeel en het zelfs moeilijk was om ongeschoolde arbeidskrachten te vinden. De productiekosten waren aanzienlijk: de kaasmakerij gebruikte jaarlijks voor 13.000 gulden aan chemicaliën zoals zout en kleurstoffen. De boterafdeling gebruikte dagelijks 20 vaten à 5,50 gulden.
Omdat melk uit alle delen van het eiland werd aangevoerd, waren de transportkosten hoog. Een klein deel werd met eigen voertuigen vervoerd, maar het meeste werd uitbesteed. De afvoer van producten deed men voornamelijk zelf, omdat daarin meer regelmaat zat. De concurrentie tussen zuivelbedrijven was groot; melkleveranciers hadden het recht om elk half jaar hun contract op te zeggen en over te stappen naar een ander bedrijf. Door de samenwerking met de C.M.C. waren er echter nooit tekorten.
Nog altijd hoopte men op een ultramoderne nieuwe fabriek in de Oostbroekpolder te Spijkenisse. Het bestaande gebouw voldeed al lange tijd niet meer aan de eisen. De machines, afkomstig uit binnen‑ en buitenland, waren op zich goed, maar de ruimtes waren te krap, wat de bediening hinderde. Ook het interne transport verliep moeizaam.
Een ander groot probleem was de afvalwaterlozing. Aanvankelijk werd het afvalwater rechtstreeks in een sloot geloosd, die uitkwam in de boezem en via een gemaal in de haven terechtkwam. Door nieuwe milieuwetten moest het water via buizen onder de Voorstraat door naar de haven worden gepompt, wat bijna de hele dag een pomp vereiste. Aan het gebouw werd alleen nog het hoogst noodzakelijke onderhoud verricht. De hoop bleef dat er binnen enkele jaren een nieuwe fabriek zou worden gebouwd met een dubbele capaciteit.
Het is er nooit van gekomen.
De C.M.C.-zuivelfabriek De Planeet in Spijkenisse heeft nooit een nieuwe fabriek gebouwd in de Oostbroekpolder. De fabriek bleef in het oude pand en sloot op 29 april 1957definitief haar deuren.
1. De tijdgeest: modernisering van de landbouw
Rond het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw maakte de Nederlandse landbouw een grote moderniseringsslag. Boeren begonnen zich te organiseren in coöperaties en verenigingen om samen sterker te staan tegen marktprijzen, tussenhandel en kwaliteitsproblemen.
Zuivel was daarbij een van de eerste sectoren die industrialiseerde. Waar melk vroeger op de boerderij zelf werd verwerkt tot boter en kaas, kwamen nu [stoom] zuivelfabrieken op die dat veel efficiënter en hygiënischer konden doen.
De oprichting in 1932 van Zuivelfabriek De Planeet past precies in die landelijke trend.
2. De rol van melkveilingen
De vermelding van de Vereeniging Melkveiling De Zuid Hollandsche Eilanden en Omstreken is veelzeggend. Melkveilingen waren een relatief nieuw fenomeen: boeren brachten hun melk naar een centrale plek waar deze werd gekeurd, verhandeld en verdeeld. De melkveilingen, in totaal zijn er vijf geweest, zijn nooit een succes geworden. Het belang van de veilingen zat hem vooral in het feit dat, lang voor er sprake was van de CMC, er in het stedelijk gebied een vorm van samenwerking was ontstaan tussen de boeren.
Dat deze vereniging zelf grootaandeelhouder werd (280 van de 316 aandelen) laat zien dat:
Het was dus een strategische zet om de keten van productie → verwerking → verkoop in eigen hand te houden.
3. De economische situatie op Voorne-Putten
Spijkenisse was in deze periode nog een uitgesproken agrarisch dorp. De landbouw bestond vooral uit:
Een zuivelfabriek betekende:
Het was een teken dat Spijkenisse zich wilde ontwikkelen en meedoen met de modernisering die elders al gaande was.
4. De aandelenstructuur: boeren als mede-eigenaren
Opvallend is dat veel boeren slechts enkele aandelen hadden (1 tot 5 stuks). Dat was typisch voor coöperatieve initiatieven:
De grote meerderheid van de aandelen bleef echter bij de melkveiling, wat aangeeft dat dit geen pure coöperatie was, maar een hybride vorm: deels particulier, deels collectief. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg zestigduizend gulden, verdeeld in zeshonderd aandelen van elk honderd gulden. Van deze aandelen zijn er 316 uitgegeven en volledig volgestort.
De volgende partijen nemen deel in het kapitaal:
• 280 aandelen: Vereniging Melkveiling De Zuid-Hollandse Eilanden en Omstreken
• 4 aandelen: F. J. Parlevliet
• 2 aandelen: J. van Bergeyk
• 5 aandelen: D. H. Dekker
• 5 aandelen: J. Dekker
• 5 aandelen: J. E. van der Hoek
• 2 aandelen: W. Scheygrond
• 3 aandelen: J. L. van de Werken
• 1 aandeel: D. van Geest
• 1 aandeel: A. L. van Dintel
• 5 aandelen: J. van den Ban
• 1 aandeel: A. Braat
• 2 aandelen: A. J. Prins
5. Waarom dit soort fabrieken belangrijk waren
Zuivelfabrieken zoals De Planeet:
Ze waren een cruciale stap in de professionalisering van de Nederlandse voedselproductie.
6. Wat dit zegt over Spijkenisse in die tijd
De oprichting van De Planeet laat zien dat Spijkenisse:
Hans Klingenberg
Geplaatst: 16 februari 2026